B. en J.H. Bruggeman, R. Gruijs, H.J. Kooke, STEP Instructeurs

INLEIDING
Wij kregen enig commentaar op de door ons gekozen titel Natuur en Cultuur in FYSIO 2000, vol. 3 nr. 2, in de trant van dat deze titel suggereerde dat cultuur aan onze Westerse samenleving voorbehouden zou zijn en natuurvolken geen cultuur zouden bezitten. Bij deze suggestie hadden wij geen moment stilgestaan en de titel Rugklachten, Natuur en Cultuur is natuurlijk geen titel met een voor natuurvolken denigrerende bijklank in culturele zin, integendeel wat ons betreft is dat in ieder geval omgekeerd. Nee, het is een korte en bondige titel, die een vergelijking wil symboliseren tussen de dichter bij de natuur levende, zich (voort)bewegende en zich houdende mensen en de zich meer met behulp van technologische hulpmiddelen (auto’s, bussen, fietsen, stoelen) (voort)bewegende en zich houdende Westerse samenleving. Een titel die wil uitdrukken dat verschillen in mobiliteit en het voorkomen van rugklachten ondermeer samenhangen met de verschillen in houding en beweging in het dagelijks leven van Natuur- en Cultuurvolken.
In dit artikel zullen wij een zeer waarschijnlijke verklaring van het ontstaan van mobiliteitsverschillen tussen natuur en cultuur postuleren. Verder zullen wij aan de hand van een aantal verschillende houdingen, bewegingen (langzit, hurkzit met de voeten plat op de grond, kleermakerszit en bukken) de mobiliteitsverschillen tussen Natuur en Cultuur laten zien, alsmede de consequenties voor de belasting van de lage rug en het ontstaan van rugklachten tonen en bespreken. Aan het eind worden nog een paar rugsparende hamstringsrekkingen aangegeven

A. ZITTEN
Daar waar bij natuurvolken het zitten meestal op de grond gebeurt, door jong en door oud, hebben de cultuurvolken zich al vroeg verheven van de grond. Alléén de hele kleine kinderen zitten bij de cultuurvolken gedurende een korte periode nog op de grond (afb. 1).

 Afb. 1.
Toen zitten nog zitten was.
Hoe mooi kaarsrecht is hier de rug nog.

Al gauw mogen ze echter de grond verlaten om “verheven” plaats te nemen:
* Bij moeder (en natuurlijk ook vader) op schoot (afb. 2).
* Aan tafel in de kinderstoel, om getooid met slabber mee te eten en gevaarlijk met vorken te zwaaien.
* In de wandelwagen om met pa of ma boodschappen te doen en in een rustig tempo de vredige buitenwereld in zich op te nemen.
* In het kinderzitje samen met broer of zus, voor of achter op de fiets, om zo van de wat sneller voorbijschietende wereld of van je moeders rug en haar geuren te genieten.
* Met veiligheidsgordel en al in het autozitje om ook aan de snel voorbijschietende wereld te wennen en de eerste kennismaking met wagenziekte op te doen.
* In hun eigen bureaustoeltje zich amuserend met Fisher Price, Playmobil en ander verantwoord speelgoed.
* Op het zadel van de eerst van drie wielen voorziene kinderfiets, of in de fauteuil van de speelgoedauto (afb. 3), als voorbereiding op de wereld van Sparta, Gazelle, Union, Batavus, Michelin en Vredestein.

 Afb. 2.
Verheven zitten. Het begin, bij moeder op schoot. Broerlief waarschuwt nog: "Moet jij zo nodig bij mijn mama gaan zitten, je kunt veel beter blijven staan."

Zo wordt op prille leeftijd al in een gevarieerd aantal stoeltjes, zadels en zitjes begonnen met de voorbereiding op het nooit weer ophoudende van de grond “verheven” cultuurzitten van de cultuurvolwassene. Want inclusief de postbode, die af en toe nog wel eens wat wandelt, hetgeen met die groene bussen en zijn fietstassen trouwens ook steeds minder wordt, is zitten zo’n beetje de hoofdbezigheid van ons cultuurmensen geworden. Doen we eigenlijk nog wel iets anders zou je je haast gaan afvragen, als je bedenkt hoeveel we eigenlijk wel niet zitten:
* We zitten op eetkamerstoelen en barkrukken om voedsel en drank tot ons te nemen.
* In bankstellen om van onze vrije tijd te genieten, lezend, converserend, muziek luisterend naar de bedrog zijnde dromen en natuurlijk tv. kijkend naar het enige wat je nodig hebt, all you need is love.
* Op fietsen, bromfietsen of motoren, om ons in een gezapig of moordend tempo en in contact met de seizoenen van de één naar de andere plaats te spoeden.
* In autofauteuils van personen- c.q. vrachtwagens en bussen om ons scheurend van hot naar her, naar school en werk te spoeden, over het algemeen verlost van de vervelende wagenziekte.
* In trams, treinen, metro’s en vliegtuigen, om met nog hogere snelheid door het landschap, de onderwereld en het heelal te razen, om op een verder gelegen plaats van bestemming te arriveren ten einde daar kennis te verrijken, uit te rusten, geld te verdienen of juist uit te geven.
* En na al dit gereis en getrek belanden we uiteindelijk heerlijk in onze bureaustoel, of op onze school- en collegebanken, alwaar we nog eens urenlang zitten te zitten.

 Afb. 3.
De oefening voor het rijbewijs, de voorbereiding op later wordt al vroeg in gang gezet.

De spreekwoorden, gezegdes: zitvlees hebben, met je handen in het haar zitten, in de bak zitten, ik zit klem, zit je ergens mee?, ik zit me te vervelen, goh wat zit jij te niksen, hij zit ook in de WW, een zittend leven hebben, hoeveel zittingen heb jij collega, ik ga heus niet bij de pakken neerzitten, die zit er ook lekker warmpjes bij, tjonge tjonge wat heb ik in de penarie gezeten, en de zitting van de rechtbank zijn dan ook niet zo maar uit de lucht komen vallen, maar geven ondermeer aan dat we er met zijn allen stevig op los zitten.

Functie vormt orgaan
Het cultuurzitten in bankstellen, op allerhande stoelen en krukken heeft als gemeenschappelijk kenmerk dat de knieën gebogen zijn, het bekken achterover is gekanteld en de rug geheel wordt gerond (1) (afb. 4). Al het zittend functioneren zal er op termijn toe leiden dat de organen zich bij deze overmatige “zit op stoelen functie” aanpassen. In dit geval van “dysfunctie misvormt orgaan” zullen de beenspieren en -gewrichten zich geleidelijk gaan
aanpassen aan het zich te veel in verkorte toestand bevinden.

 Afb. 4
"Verheven" zitten, waar het allemaal toe kan leiden: een meer ronde rug en beperkingen in de flexie van de heup met gestrekte en gebogen knieën.

De flexie in de heup met gestrekte- en gebogen knie zal door het langdurig toeven in dit soort posities steeds meer beperken en reactief hierop zal de lage rug steeds meer moeten flecteren en in mobiliteit toenemen. Een aantal voorbeelden van deze aanpassingen van de heupen en rug van de cultuurmens zullen wij hieronder laten zien aan de hand van een aantal ADL- houdingen. Tevens zullen wij tonen hoe het zonder al dat verheven op stoelen zitten had kunnen zijn, door naast de stijve cultuurplanken voorbeelden van natuurvolken te plaatsen, die “met beide voeten op de grond” zijn blijven zitten.

1. Langzit
In langzit, zit met gestrekte benen, is de beperkende factor voor de vooroverkanteling van het bekken, de lengte van de hamstrings. Daar waar menig “Cultuurmens” zich de tijd wel kan herinneren dat hij in het verre verleden met de neus tot op de knieën kon komen of tenminste met de handen tot de voeten, lijken richting volwassenheid de knieën en voeten ineens veel verder weg en is men al blij deze lichaamsdelen met gebogen knieën nog te kunnen bereiken. Het zich handhaven in deze houding is meestal nog net mogelijk, maar dan wel voor korte tijd. Het bekken staat ver achterover
en de rug moet compensatoir sterk worden gerond om nog enigszins te kunnen blijven zitten (afb. 5).

Het in langzit vertoeven is voor de cultuurmens een krampachtig zitten geworden, waarbij de buikspieren en de m. iliopsoas overmatig actief moeten zijn omdat het zwaartepunt niet meer voor de bewegingsas gebracht kan worden. Lekker zitten in deze houding en wat werkzaamheden verrichten is er voor de cultuurmens niet meer bij, het is een houding geworden die men het liefst zo veel mogelijk vermijdt. Bij natuurvolken is dat wel anders, voor hen is dit een doodnormale houding waar men uren in kan toeven en werken (afb. 6). Het bekken kan nog zeer ver voorovergekanteld worden met de benen recht en de rug bevindt zich in een volstrekt holle positie.

2. Kleermakerszit
In kleermakerszit zijn niet de dorsale bi-articulaire hamstrings de beperkende factor, in deze houding wordt het vooroverkantelen van het bekken door de dorsale monoarticulaire heupstructuren gelimiteerd. Om goed in kleermakerszit te kunnen toeven dient de heupmobiliteit richting flexie optimaal te zijn. Bij een beperkte flexiemobiliteit kan het bekken onvoldoende naar voren draaien en moet de hulp van met name de lumbale wervelkolom worden ingeroepen om het zwaartepunt voldoende voor te brengen, waardoor deze sterk op flexie wordt belast en een ronde vorm aanneemt. Bij menig cultuurmens lukt dit naar voren brengen van het zwaartepunt met de lumbale wervelkolom niet meer of niet voldoende en ontstaat een krampachtige houding (afb. 7), die maar gedurende korte tijd kan worden volgehouden, omdat de buikspieren en de m. iliopsoas teveel statisch moeten werken. Meestal roept men snel de hulp van de armen in, die of om de knieën worden geslagen of naar achteren worden uitgestrekt opdat de handen achter op de grond kunnen steunen en de buikspieren en de m. iliopsoas kunnen stoppen met hun krampachtige houdingshandhaving. Bij natuurvolken is dat wel anders, voor hen is ook kleermakerszit een doodnormale houding, waar men uren in kan toeven en werken (afb. 8). Het bekken kan nog zeer ver voorovergekanteld worden en de rug bevindt zich in een uitwendig rechte (en dus inwendig holle) positie.

 Afb. 7.
Een cultuurmeisje in kleermakerszit. Het bekken ver achterover en de rug geheel rond, extra steun van de handen is al nodig. De houding kan met moeite worden volgehouden.

Afb. 8.
Een gamelanspeler in kleermakerszit. Een houding die zonder moeite gedurende lange tijd kan worden volgehouden. Het bekken goed voorover en de rug in een uitwendig kaarsrechte positie (dus inwendig in lordose).

3. Hurkzit
Hurkzit bij cultuurvolken wordt meestal geassocieerd met het zitten met gebogen knieën, het achterste op de hielen rustend en de hakken van de grond (afb. 9).

Afb. 9.
De cultuurhurkzit, de hakken flink geheven om het zwaartepunt nog boven het steunvlak te kunnen krijgen. Er is veel druk in de knieholte.

Hurkzit is een houding die men bijvoorbeeld veelvuldig ziet bij voetballers die met het hele elftal op de seizoenfoto gaan. De achterste rij met spelers staat en de voorste rij zit in hurkzit. In deze houding kan over het algemeen ieder cultuurmens makkelijk toeven en ook wel voor wat langere tijd. Vergeleken met langzit en kleermakerszit (houdingen waar menig cultuurmens zijn mobiliteitsproblemen van de heup echt begint te bemerken) is hier niets aan de hand zou je zo op het eerste gezicht zeggen. De schijn bedriegt, men kan alléén hier de mobiliteitsproblemen van de gewrichten van de onderste extremiteit compenseren met de dorsaalflexie in de dorso-phalangeale gewrichten. De originele hurkzit, de hurkzit met de voeten plat op de grond, zoals men die bij natuurvolken overwegend nog aantreft (afb. 11), kan door de gemiddelde cultuurmens nauwelijks nog aangenomen worden. Als de cultuurmens deze houding aanneemt dan is meestal achterovervallen het gevolg (afb. 10 en 12 ).

Afb. 10.
De cultuurmens heeft de grootste problemen bij hurkzit met de voeten plat op de grond, of kan dit helemaal niet meer. De hoek tussen bovenbeen (2) en bekken (3) en de hoek tussen onderbeen (1) en bovenbeen (2) zijn bij de cultuurmens veel groter dan bij de natuurmens (afb. 10 en 11). Reactief moet de cultuurmens zijn rug veel ronder maken.

Afb. 11.
De natuurmens heeft geen enkele moeite met deze hurkzit en kan er uren in toeven met een perfect rechte rug en vaak met de bovenarmen nog afgesteund op de knieën, hetgeen de lage intra-discale druk nog extra verlaagd en de rug nog meer ontlast.

Daar waar langzit en kleermakerszit houdingen zijn die nog net aan te nemen zijn, alhoewel moeizaam en niet voor lange tijd, heeft het mobiliteitsverlies bij de cultuurmens er toe geleid dat de originele hurkzit op de platte voeten door menigeen in het geheel niet meer ingenomen kan worden, zelfs niet voor 1 seconde. Waarschijnlijk is dit toe te schrijven aan het feit dat bij de originele hurkzit niet alléén de heupmobiliteit (zoals bij lang- en kleermakerszit) een rol speelt bij het naar voren brengen, boven het steunvlak brengen van het zwaartepunt, maar ook de mobiliteit in het enkel- en kniegewricht zijn hier van belang om het zwaartepunt naar voren, boven de voeten te brengen. Cultuurmensen zijn zowel in enkel, knie als heup minder mobiel, waardoor in hurkzit met de voeten plat het zwaartepunt niet voldoende voor gebracht kan worden en men genoodzaakt is zijn toevlucht te nemen tot dorsaalflexie metatarso-phalangeaal.

Afb. 12 en 13.
Een schematische vergelijking tussen natuur en cultuur in hurkzit met de voeten plat op de grond.
Afb. 12. Cultuur. Door een beperkte mobiliteit kan het zwaartepunt in de enkel (1), in de knie (2) en in de heup (3) niet voldoende naar voren worden gebracht. De wervelkolom moet maximaal naar voren worden gebracht, rond worden gemaakt (4) om het zwaartepunt boven de voeten te krijgen.
Afb. 13. Natuur. Door een goede mobiliteit kan het zwaartepunt in de enkel (1), in de knie (2) en in de heup (3) goed naar voren en boven de voet worden gebracht. De wervelkolom (4) kan zo in extensie blijven.

De zithoudingen samenvattend
Dat het zitten op stoelen bij cultuurvolken in een principieel kyfotische stand van de lumbale wervelkolom geschiedt (afb. 14a) is zoals gezegd door Schoberth in een uitvoerige studie vastgesteld (1). De door ons gepostuleerde theorie dat het vele zitten op stoelen er toe heeft geleid dat de mobiliteit van heupen (afb. 14b) en hamstrings (afb. 14c) bij cultuurvolken is verminderd en de flexiebelasting van de lumbale wervelkolom in verschillende zithoudingen hierdoor wordt vergroot hebben wij getracht aannemelijk te maken aan de hand van de vergelijking tussen natuur en cultuur in een drietal zithoudingen, langzit, kleermakerszit en hurkzit. Wij hebben laten zien dat vooral de flexie in de heup met gestrekte- en gebogen knie bij cultuurvolken is beperkt in vergelijking met natuurvolken en dat een beperkte flexiemobiliteit van de heup met gestrekteen gebogen knie leidt tot een bij cultuurvolken versterkte kyfotische stand van de rug in deze zithoudingen.

Afb. 14.
De dorsale mono-articulaire (b) en bi-articulaire (c) structuren raken verkort door het vele cultuurzitten op stoelen. Het bekken kan niet meer genoeg naar voren worden gedraaid in de diverse ADL- houdingen, hierdoor ontstaat er overmatige flexie belasting en kyfosering van de lumbale wervelkolom (a).

Hamstringskortheid en kyfose
In de navolgende vergelijking tussen natuur en cultuur met betrekking tot het bukken zullen wij laten zien dat ook hier een beperkte hamstringslengte leidt tot een versterkte mobiliteit en kyfose van de LWK en omgekeerd. Met andere woorden dat bij natuur en cultuur de hamstringslengte en de lumbale kyfose zich omgekeerd evenredig ten opzichte van elkaar verhouden. Bij natuurvolken treffen we lange tot zeer lange hamstrings aan en een LWK die zelfs bij maximaal bukken niet in kyfose komt. Bij cultuurvolken treffen we extreem korte hamstrings aan en een LWK die bij maximaal bukken in een sterke kyfose komt. De logica achter deze omgekeerde evenredigheid zullen wij nader verduidelijken met een zelf uitgevoerd experiment, een experiment dat aannemelijk maakt dat een meer steile sacrumstand - door een beperkte hamstringslengte - tot gevolg heeft dat tijdens bukken de buigspanning in de LWK groter wordt en als gevolg daarvan de kyfose in de LWK toeneemt.

B. BUKKEN
Bij het bukken met gestrekte benen heeft menig cultuurmens moeite om zelfs maar met de vingertoppen de grond te bereiken zonder de knieën te buigen. Vooral mannen hebben vaak erg korte hamstrings, zo kort dat het sacrum ( afb. 15) vaak ver voor de horizontaal blijft. Als de rug niet zou worden geflecteerd zouden de vingertoppen niet eens meer voorbij de knieën kunnen komen. Alleen door de rug sterk te flecteren, te kyfoseren kunnen de handen voorbij de knieën komen, echter nog lang niet bij de grond. Bij natuurvolken zien we het omgekeerde, de hamstrings zijn zo lang dat het sacrum de horizontaal met gemak passeert (afb. 16) en men zeer gemakkelijk met de platte handen de grond bereikt zonder dat de rug ook maar
iets wordt geflecteerd. Als men deze twee foto’s vergelijkt dan kan alleen hieruit al met een grote mate van waarschijnlijkheid de conclusie worden getrokken dat bij korte hamstrings de flexiebelasting van de lage rug sterk wordt vergroot.

 Afb. 15.
Let op de steile sacrumstand (A).
 Afb. 16.
De sacrumstand is hier ver beneden de horizontaal (B).
Afb. 15 en 16.
Iemand met een beetje gevoel voor het gevaar van kyfose wordt hier even stil van. Sprekender kan welhaast de omgekeerde evenredigheid van hamstringslengte en kyfose niet worden uitgedrukt alsook waarom bij natuurvolken rugklachten minder voorkomen dan bij cultuurvolken. Het gewicht van het bovenlichaam wordt bij lange hamstrings ook nog een soort tractiegewicht dat de rug extra ontlast.

Samenvattend
Aan de hand van een aantal verschillende houdingen, bewegingen (langzit, hurkzit met de voeten plat op de grond, kleermakerszit en bukken) hebben wij de mobiliteitsverschillen tussen natuur en cultuur laten zien, alsmede de consequenties voor de buigbelasting van de lage rug. Voor de duidelijkheid hebben we steeds één voorbeeld van een exponent van cultuurvolken geplaatst naast één voorbeeld van een exponent van natuurvolken. De indruk zou kunnen ontstaan dat dit uitzonderingen zijn. Voor wat betreft de cultuurvolken kan een ieder om zich heen zien dat dit niet het geval is, hoe voetballers in hurkzit op de tenen op foto’s staan, hoe beperkt de hamstrings van de gemiddelde cultuurmens zijn en hoe moeilijk men het heeft met de houdingshandhaving in de besproken zithoudingen. Voor wat betreft de natuurvolken verwijzen wij graag naar de door ons geraadpleegde literatuur inzake dezen (2 -10) en na in elke bibliotheek voorkomende boeken over natuurvolken die niet zijn overgegaan tot het zitten op stoelen. Men zal de
grootste moeite hebben één natuurmens aan te treffen met een kyfotische positie van de lumbale wervelkolom.

C. EXPERIMENT
Met een eenvoudig experiment zullen wij laten zien dat een steile stand van het sacrum de buigbelasting in een flexibele staaf doet toenemen in vergelijking met een meer horizontale stand van het sacrum. Voor dit experiment gebruikten wij een flexibele kunststof lat. Aan deze lat werd een gewicht van ongeveer 3 kg. op een vaste plaats bevestigd. De lat werd over een stoel geplaatst (afb. 17 en 18) en wel zo dat een lang gedeelte (de rug symboliserend) aan de ene kant overstak en aan de andere kant een kort gedeelte (het sacrum symboliserend). De lat kon niet verschuiven ten
opzichte van de bovenkant van de stoel. Aan de korte zijde werd evenwicht bewerkstelligd door op een vaste plaats met een veerunster te trekken. De benodigde kracht voor evenwicht kon op het veerunster worden afgelezen. Verder werd met een goniometer de mate van buiging tussen twee vaste punten op de lat (aan de lange zijde direct naast het steunpunt op de stoel (de lumbale kyfose symboliserend)) opgemeten. In twee standen van steilheid werd nu de spanning in het veerunster en de mate van buiging in het “lumbale” gedeelte opgemeten. De ene stand symboliseerde een steil sacrum en korte hamstrings (afb. 17) en de andere stand symboliseerde een meer horizontaal sacrum en langere hamstrings (afb. 18). In de steile
stand bleek de kracht die door het veerunster moest worden opgebracht ±70% groter dan in de meer horizontale stand en de “kyfose” ± 50% groter. De verklaring is waarschijnlijk tweeërlei, ten eerste blijft de afstand van het zwaartepunt tot het steunpunt in de steile situatie groter, hetgeen tot een grotere buigspanning zal leiden en ten tweede wordt het gewicht in de meer horizontale situatie meer tractiegewicht hetgeen tot een lagere buigspanning zal leiden (zie ook afb. 15 en 16). Met dit eenvoudige experiment lijkt het ontstaan van een versterkte kyfose en een vergrote buigbelasting van de lumbale wervelkolom bij korte hamstrings goed verklaard te kunnen worden.

Afb. 17 en 18.
Een flexibele kunststof lat, waaraan bij A een gewicht van 3 kg. hangt. Bij D wordt dit gewicht met een unster in evenwicht gehouden. Op het unster wordt de benodigde kracht afgelezen. Met een goniometer (B) wordt de mate van buiging opgemeten. In afb. 17 is een steil sacrum nagebootst (C), in afb. 18 een meer horizontaal
sacrum. Bij een steil sacrum zijn de kyfose (500> 330) en de benodigde kracht voor evenwicht (12kg.>7kg.) veel groter.

D. HAMSTRINGSREKKEN.
Om het artikel praktisch te besluiten beschrijven wij nog een paar minder bekende vormen van statische hamstringsrekkingen in rugsparende houdingen.
Geen oplossing.
Wij denken overigens niet dat het rekken van korte hamstrings een oplossing is bij het voorkomen van rugklachten. Enerzijds omdat het rekken van eenmaal verkorte hamstrings moeilijk is en veel doorzettingsvermogen vergt en anderzijds omdat het zitten op stoelen een dermate ingebakken gewoonte is, die gemakkelijk opnieuw tot verkorting van de hamstrings zal leiden. Als men daarbij voegt dat - ongeacht het feit of de hamstrings nu lang of kort zijn - de LWK tijdens het zitten op stoelen toch kyfotisch wordt, alsmede het feit dat de resultaten van hamstringsrekkingen niet bijster succesvol zijn (11), dan zal duidelijk zijn dat het vergroten van de hamstringslengte maar een kleine bijdrage kan leveren aan het voorkomen van rugklachten.

 Afb. 19.
Ook al wordt er moeite gedaan de rug hol te houden, de gemiddelde patiënt lukt dit niet, ook is er nauwelijks sprake van afsteunen van het lichaamsgewicht (uit Winkel (13), bij de revalidatie na hamstringsblessures).

Oppassen.
Als men bij rugklachten toch een poging wil wagen om tot een grotere hamstringslenigheid te komen, dan moet men oppassen met allerlei de rug zwaar belastende vormen van hamstringsrekkingen. Al te gemakkelijk worden er hamstringsrekkingen voorgeschreven in houdingen die voor mensen met lage rugklachten veel te belastend zijn (afb. 19, 20, 21 en 22). Het komt dan ook niet onregelmatig voor dat mensen met rugklachten, dankzij deze, de zich herstellende rug te zeer belastende hamstringsrekkingen, tegen een fiks recidief oplopen.

 Afb. 20.
Een wel zeer gevaarlijke hamstringsrekking aangetroffen in Grieve (14).

Te duur.
Hamstrings worden vaak weinig economisch gerekt, omdat de (para)medicus het idee heeft dat hij het rekken - al dan niet met interessante en ingewikkelde Kabath patronen - zelf moet doen.

 Afb. 21.
Hamstringsrekken veel te duur en niet effectief.

Deze Kabath patronen en technieken, maar ook de aanwezigheid van de (para)medicus, zijn in het
geheel niet nodig om resultaat te boeken. Met eenvoudige statische rekkingen kunnen in dezelfde tijd betere resultaten worden geboekt (12). Hamstringsrekkingen dienen daarom bij voorkeur in de thuissituatie van de patiënt te geschieden en wel zo eenvoudig mogelijk en bij rugklachten uitsluitend in ruglig.

Afb. 22.
In zit met één been afhangend, ook veel te veel maximale LWK flexie, aanbevolen door Halbertsma en Geers.

Rugscholing.
Rugscholing van gewichthefferstechnieken tezamen met gezondheidsbeschermende technieken (secretaressebanden, gordels, lordosezitsteunen e.d.) zijn meer belangrijke elementen, waarmee men ook met korte hamstrings en beperkte heupmobiliteit toch veilig lordotisch kan functioneren in de cultuursamenleving.
Nieuwe mogelijkheden.
In afbeelding 23, 24 en 25 zijn een aantal mogelijkheden aangegeven van veilig, effectief en gedoseerd hamstringsrekken.

Afb. 23.
Hamstringsrekken met de rekkingsband in lig. De rekkingsband is bevestigd aan een deuranker (1). De rekking kan gedoseerd worden door: A. Met de handen op de knie te drukken. B. Het andere been te strekken. C. De voet meer in dorsaalflexie te plaatsen. D. Met het hele lichaam van de deur weg te schuiven. Aan de rekkingsband is een centimeter (2) bevestigd, waarmee voor de patiënt de vooruitgang geobjectiveerd kan worden.

Veilig bij rugklachten vanwege de lage intra-discale drukwaarden in lig.
Effectief omdat men in deze lighoudingen zeer wel gedurende langere tijd een duurtractie kan aanbrengen en volhouden.
Gedoseerd omdat de mate van rek met deze hamstringsrekkingen in ruglig zeer genuanceerd afgestemd kan worden op de pijntolerantie van de individuele persoon.

Afb. 24.
Hamstringsrekken met de rekkingsband in lig. Dosering met strekken van de knie (A), wegschuiven van de voet (B) en de voet meer (C1) of minder (C2, inzet) in dorsaalflexie (C).

Met eenvoudige handelingen kan men de mate van de rek beïnvloeden bijvoorbeeld door:
a. Het andere been meer of minder te strekken.
b. Met de handen meer of minder te drukken tegen het bovenbeen.
c. De knie meer of minder te strekken.
d. De dorsaalflexie van de voet meer of minder te maken (meer of minder de dorsale onderbeenfascie in de rek betrekken).
e. Meer of minder wegschuiven van het hele lichaam.
f. Een of twee benen tegelijk te rekken.

Afb. 25. Hamstringsrekken m.b.v. deurpost. Dosering met strekken van de knie (A), wegschuiven van de voet (B) en de voet meer (C1) of minder (C2, inzet) in dorsaalflexie.

TOT SLOT
Hamstringsrekkingen in lig zijn vooral bedoeld om in het kader van rugklachten veilig en effectief te kunnen oefenen, ook bij de revalidatie na hamstringsblessures lijken ze een goede functie te kunnen vervullen. Ze zijn natuurlijk niet bedoeld in het kader van een sportieve warming-up, daar zijn deze rekkingen in lig niet praktisch.

Literatuur en heupmobiliteit
In een volgend tijdschrift zullen wij een aantal gegevens uit de wetenschappelijke literatuur presenteren die de stellingen ondersteunen dat:
1. Een beperkte hamstringslengte tot gevolg heeft dat de buigspanning in de LWK groter wordt.
2. Dat hamstringslengte en lumbale kyfose zich omgekeerd evenredig ten opzichte van elkaar verhouden.
3. Dat korte hamstrings een risicofactor voor het krijgen van rugklachten zijn.
4. Dat bij vrouwen de hamstrings langer zijn dan bij mannen en de LWK minder kyfotisch is en dat dit één van de redenen is dat hernia’s bij vrouwen minder voorkomen.

-->